U bent nu hier: Home » Cursussen & Workshops » Werken met lagen in beeldbewerking

Cursussen & Workshops

Werken met lagen in beeldbewerking

Guus Crone 05 mrt. 2008 15:07
Werken met lagen in beeldbewerking

Bijna elk goed beeldbewerkingsprogramma biedt de mogelijkheid om met lagen (Engels: layers) te werken. Met behulp van deze techniek kunt u onder meer bewerkingen op delen van een afbeelding toepassen, zonder daarbij de rest van de afbeelding te beïnvloeden.

Dit is echter slechts één aspect van wat u met lagen kunt doen, maar met een beschrijving van alle mogelijkheden zou een flink boekwerk te vullen zijn. Hieronder vindt u daarom een basisuitleg over de meest gebruikte soorten lagen en hoe u ermee werkt. Wanneer u hiermee aan de slag gaat, zult u steeds meer facetten van deze techniek ontdekken. U zult er in ieder geval achterkomen dat u uw beeldbewerkingsprogramma pas ten volle benut wanneer u deze vaardigheid onder de knie hebt.

De voorbeelden zijn met Paint Shop Pro gemaakt, maar in programma’s als Photoshop, The Gimp en PhotoPlus werkt het allemaal op een vergelijkbare manier. Raadpleeg zonodig de helpfunctie van het programma dat u gebruikt.

Achtergrond en lagen

In een afbeelding moet u onderscheid maken tussen de achtergrond en de lagen die daar eventueel bovenop komen. De achtergrond is over het algemeen een foto, een tekening of een nieuwe afbeelding en heeft andere eigenschappen dan een laag. Zo kan een laag gedeeltelijk of geheel doorzichtig gemaakt worden, maar met een achtergrond is dat niet mogelijk. Een laag kunt u verschuiven, maar de achtergrond ligt vast. U zult ook merken dat u sommige bewerkingen niet kunt uitvoeren op de achtergrond. 3D-effecten, zoals schaduwen, uitsnijdingen en afschuiningen zijn daar voorbeelden van: deze kunnen alleen op lagen worden toegepast. De achtergrond kunt u dan ook het best vergelijken met een foto, een tekening of een leeg vel papier dat voor u op tafel ligt.

Een laag kunt u in dit verband zien als een doorzichtig vel plastic dat u over de achtergrond legt. Op zo’n laag kunt u bijvoorbeeld tekst zetten, een tekening maken of u kunt er een afbeelding of selectie op plakken. Er bestaan verschillende soorten lagen, waarvan rasterlagen, aanpassingslagen en vectorlagen de meest gebruikte zijn. Deze zullen we hier bespreken.

De achtergrond met daarboven een rasterlaag, een vectorlaag en twee aanpassingslagen.

Rasterlagen

Een afbeelding die u van het web haalt, een foto uit uw digitale camera of een tekening die u in Paint maakt, zijn alle opgebouwd uit pixels. De informatie van al die pixels wordt opgeslagen in een zogenoemde bitmap. Bij rasterlagen gebeurt dit ook en deze gedragen zich bij de bewerkingen die u erop uitvoert dan ook precies hetzelfde als bij de genoemde afbeeldingen het geval is.

Een nieuwe rasterlaag maakt u over het algemeen via het menu Lagen / Nieuwe Rasterlaag, maar het is ook mogelijk een gekopieerde afbeelding of deel daarvan als nieuwe laag in een afbeelding te plakken via het menu Bewerken / Plakken / Als nieuwe laag. Hieronder ziet u een voorbeeld: de drie losse figuren zijn één voor één gekopieerd en als nieuwe laag in de lege afbeelding daaronder geplakt. U beheert de lagen in het Lagenpalet, dat u naast de afbeelding ziet. Lagen zijn tijdelijk te verbergen door op het icoontje met het brilletje te klikken. Hierdoor is het onder meer mogelijk alleen die lagen te tonen waar u op een bepaald moment aan werkt.


Lagen beheert u via het Lagenpalet.

Elke laag is apart te bewerken nadat deze in het palet geselecteerd is. Zo kunt u een afbeelding, tekening of tekst op een laag verkleinen, roteren, vergroten of inkleuren, zonder dat de achtergrond of andere lagen daarbij ook verkleind, geroteerd, vergroot of ingekleurd worden.

Verder kunt u alle lagen ten opzichte van elkaar verschuiven én u kunt de volgorde waarin ze op elkaar liggen veranderen. Dit laatste doet u door de lagen in het palet naar boven of beneden te slepen.

Op een echte afbeelding kunt u natuurlijk ook transparante in plaats van dekkende verf gebruiken. De transparantie van een laag kunt u met een schuifregelaar instellen, wat eenzelfde effect geeft. Hieronder ziet u daar een voorbeeld van. In dit geval zijn de bovenste twee lagen enigszins doorzichtig gemaakt.


De transparantie van lagen regelt u via de schuifregelaars in het Lagenpalet.

U kunt twee of meer lagen samenvoegen tot één laag, die u daarna in zijn geheel verder kunt bewerken. Deze optie gebruikt u als u een figuur dat uit meerdere lagen is gemaakt, voortaan als één laag wilt behandelen. U voegt meerdere lagen samen door alle overige lagen en de achtergrond te verbergen en vervolgens in het menu Lagen te kiezen voor Samenvoegen / Zichtbare lagen samenvoegen.

Daarnaast hebt u, afhankelijk van het programma dat u gebruikt, vijftien tot twintig mengmogelijkheden tot uw beschikking. Hiermee kunnen de pixels van de geselecteerde laag op verschillende manieren gecombineerd worden met die van de daaronder liggende laag of achtergrond. Standaard staat de mengmodus (Engels: Blend Mode) op Normaal ingesteld, dat betekent dat er uitsluitend menging op basis van de transparantie van de laag plaatsvindt.


Standaard staat de mengmodus op Normaal.

Door een van de andere beschikbare mengmodi te gebruiken ontstaan vaak verrassende effecten. Experimenteert u eens rustig met de mogelijkheden die deze optie biedt. U zult soms versteld staan van het resultaat.



Door lagen te mengen ontstaan vaak verrassende effecten.

Aanpassingslagen

Aanpassingslagen bieden veel voordelen en mogelijkheden als u vaak allerlei bewerkingen op afbeeldingen uitvoert. Door in dat geval aanpassingslagen te gebruiken, kunt u namelijk enkele effecten en bepaalde bewerkingen zoals het instellen van de kleurbalans, de helderheid en het contrast onafhankelijk van elkaar op een afbeelding toepassen. Wanneer u zonder deze lagen te gebruiken een afbeelding bijvoorbeeld eerst omzet in een negatief beeld (Kleuren / Omkeren) en dit vervolgens opheldert via Kleuren / Aanpassen / Helderheid/Contrast, is het niet mogelijk de eerste bewerking ongedaan te maken en daarbij de tweede te bewaren. Gebruikt u een aanpassingslaag voor elk van deze bewerkingen, dan kan dit wel. In dat geval verwijdert u eenvoudigweg de laag Omkeren, terwijl u de laag Helderheid/Contrast laat staan. In het voorbeeld hieronder ziet u dit geïllustreerd.

Met aanpassingslagen past u bewerkingen onafhankelijk van elkaar toe.

U maakt een nieuwe aanpassingslaag via het menu Lagen / Nieuwe Aanpassingslaag, waarna u de gewenste aanpassing kiest – bijvoorbeeld Kleurbalans. Een groot voordeel van dit soort lagen is bovendien dat het origineel onveranderd blijft. Door alle aanpassingslagen te verwijderen krijgt u dit weer in de originele staat terug.

Vectorlagen

Rasterlagen zijn, zoals gezegd, opgebouwd uit pixels. Verkleint of vergroot u zo’n afbeelding of laag, dan zullen er tijdens dit proces pixels afvallen of bijgemaakt worden. In beide gevallen vermindert dit de kwaliteit van het origineel: verkleinde afbeeldingen verliezen min of meer aan scherpte en detail, terwijl vergrotingen het beeld er blokkerig uit laten zien. Bij vectorlagen of vectorafbeeldingen wordt de informatie op een andere manier vastgelegd. Van een letter of figuur die als vector wordt gemaakt, worden voornamelijk bepaalde geometrische kenmerken opgeslagen, zoals de posities van lijnen en punten ten opzichte van elkaar. Deze afbeeldingen kunnen hierdoor zonder kwaliteitsverlies groter of kleiner worden gemaakt: op basis van hun kenmerken worden ze daarbij herberekend en opnieuw getekend. Vectorlagen worden dan ook veel gebruikt om teksten in afbeeldingen te bewerken. Op de volgende afbeeldingen is goed te zien dat letters die als vector gemaakt zijn bij elke grootte hun scherpte behouden. Tevens is te zien dat een vectorafbeelding omgeven wordt door een kader met verschillende handgrepen. Hiermee kunt u de afbeelding niet alleen schalen, maar ook vervormen, roteren en zelfs spiegelen.




Vectorlagen kunnen zonder kwaliteitsverlies geschaald en vervormd worden.

Een nieuw vectorlaag maakt u via het menu Lagen / Nieuwe Vectorlaag, maar wanneer u een figuur of tekst als vector aanmaakt, zal deze automatisch op een nieuwe vectorlaag geplaatst worden. Na de vectorlaag bewerkt te hebben kunt u deze omzetten in een rasterlaag (Lagen / Omzetten naar rasterlaag), waarna u hem verder kunt bewerken met andere rasterlagen. Het omgekeerde (een rasterlaag omzetten in een vectorlaag) is overigens niet mogelijk.



Plaats een reactie

Nu in Computer!Totaal

• Windows 7 op topsnelheid - de beste tweaks - meer snelheid met SSD • Sneller draadloos met wifi-N USB-stick • De beste tools voor uw notebook • Test: mobiele DVD-branders • Overstappen naar Microsoft Live Mail • Werkbalken die u wél wilt hebben • PC-problemen: zo achterhaalt u de oorzaak • Legaal downloaden?

ITworld

abo_block